Veel gestelde vragen


1. Accu's

Hoe kan je het beste een lipo accu bewaren?

Het is belangrijk dat een lipo accu op de juiste manier wordt bewaard. De kans dat een lipo accu stuk gaat op moment dat je deze op een verkeerde manier weglegt is enorm groot.
Een lipo accu mag nooit leeg weggelegd worden, omdat deze nog iets ontlaadt. Als de cellen van een lipo accu onder de 3 volt komen dan is de lipo accu direct stuk. De meeste computer laders hebben een storage mode. Zodra u de accu op storage mode laadt, dan worden de cellen individueel geladen tot 3.78 volt per cel. Met deze spanning in zich zullen de cellen zichzelf minimaal ontladen, en kun je de lipo accu voor een langere tijd wegleggen.
Als je geen geavanceerde lader tot je beschikking hebt, dan is het belangrijk dat je de accu regelmatig aan de lader legt. Zodoende zorg je ervoor dat de lipo accu vol blijft, en deze dus niet te ver ontladen wordt.

Wat is een lipo?

Een lithium-ion-polymeer-accu, beter bekend als een lithium-polymeer-accu of kortweg Lipo-accu is een oplaadbare batterij. De batterij is een betere variant van de lithium-ion-accu.
De Lipo-accu wordt met name in de modelbouw gebruikt vanwege het grote vermogen per gewicht. Tevens hebben deze accu’s een lage interne weerstand waardoor ze een hoge stroom af kunnen geven. De Lipo-cel heeft geen last van het geheugeneffect zoals bij de NiCd-cel.
Het laden van een Lipo-accu gaat vrij snel: in zo’n 1 à 1,5 uur is een Lipo-accu opgeladen. Wel is het belangrijk dat het opladen van een Lipo-accu met de juiste lader gebeurt. Lipo-accu’s kunnen bij verkeerd laden, waarbij de temperatuur aardig op kan lopen, in brand vliegen of exploderen. Er zijn dan ook speciale Lipo-celladers in de handel.
Een Lipo-cel heeft een bronspanning van 3,7 volt, bijna drie keer zo hoog als die van NiCD- en NiMH-cellen. Bij het ontladen mag de spanning van een Lipo-cel niet onder de 3 volt komen, anders is de kans groot dat de accu daarna niet meer te laden is.
Lipo-cellen kunnen in serie worden geschakeld. Als de cellen ook in serie worden geladen, dient de lader uiteraard geschikt te zijn voor het laden van het juiste aantal in serie geschakelde Lipo-cellen. Ook is het mogelijk om Lipo-cellen parallel te schakelen. De totaal opgenomen stroom van de belasting wordt dan evenredig verdeeld over de parallel geschakelde cellen.

2. Hoe laad ik een NiMH accu met een computer lader?

Een NiMH dient opgeladen te worden met een geschikte lader. In dit voorbeeld gebruiken wij één van de meest verkochte computergestuurde laders: RC Plus I-Power 680. Deze lader heeft hetzelfde menu als de Maxxtrax 680, Imax B6, en veel andere laders van het merk SkyRC.
Stap 1
Steek de stroom stekker van de lader in het stopcontact.
Stap 2
Sluit uw NiMH accu aan. De meeste laders worden geleverd met de benodigde laadkabels.
Stap 3
Navigeer door middel van de type/stop knop naar “NiMH charge”.
Stap 4
Druk op Enter zodat het amperage (aangeduid met A) gaat knipperen. Hier vult u het getal in dat op de accu staat. In ons geval is dit 3.0 (komt overeen met 3000 mAh).
Stap 5
Als u bovenstaande stappen heeft doorlopen drukt u op de enter knop en u houd deze vast. De lader zal het laadproces in gang zetten. Als de accu vol is zal het laden automatisch stoppen. Een akoestisch signaal zal hoorbaar zijn.

3. Hoe stel ik mijn nitro motor af?

Het afstellen van een gloeiplugmotor is een truc die je moet leren, en is steeds opnieuw een bezigheid, vrijwel iedere keer dat je met je auto gaat rijden. Een eenmaal gevonden afstelling is namelijk niet vast. De temperatuur en vochtigheidsgraad van de buitenlucht is bepalend hoe de carburateur afgesteld moet staan. Dat betekent dat je dus iedere keer kleine wijzigingen aan de afstelling moet doen. Bovendien: als de carburateur eenmaal goed afgesteld staat bij warme motor, zal hij meestal de volgende dag niet starten als de motor koud is. Om te starten zal dan de hoofdsproeier iets open moeten gedraaid worden, en als de motor dan warm gedraaid is, kan hij weer iets verder dicht. Een schuifcarburateur is wat dat betreft minder gevoelig dan de carburateurs met draaiende gasschuif die de meeste merken hebben (uit prijsoverweging, een schuifcarburateur is duurder), hoewel vooral bij de betere merken ook dit type carburateur steeds beter wordt.
Begin met de auto op een verhoging te zetten zodat de aangedreven wielen vrij van de grond staan.
Je begint altijd met het afstellen van de hoofdsproeier. Hiermee wordt de mengselverhouding lucht en brandstof geregeld. De hoeveelheid brandstof en hoeveelheid lucht moet precies kloppen, anders loopt de motor niet of niet goed. Te veel is niet goed, maar te weinig zeker niet. Bij dit type motor zit de olie die voor de smering moet zorgen vermengd in de brandstof en als de motor te weinig brandstof krijgt, krijgt hij ook te weinig smeerolie, waardoor hij niet genoeg smering krijgt te heet zal worden en zal vast lopen, met schade aan zuiger, cilinderwand en drijfstang tot gevolg. De hoofdsproeier mag dus nooit te ver dicht gedraaid worden.
En telkens met hele kleine stapjes aan de sproeiers draaien en onthoudt de oorspronkelijke stand, zodat je altijd weer terug kan naar de uitgangspositie.
De basisstand van de carburateur staat beschreven in de handleiding welke bij de motor hoort. D.w.z. de sproeier wordt dichtgedraaid (rechtsom) en dan afhankelijk van het type carburateur een paar slagen opengedraaid. Bij de meeste is het vaak maar 3 halve slagen.
Nu pomp je de brandstof op naar de carburateur. Soms kan dat met een pompje op de tank, anders houd je de uitlaat dicht en je trekt aan de starter. Je ziet nu de brandstof door de slang naar de carburateur gaan. Zodra de brandstof bij de carburateur is, sluit je de gloeiplugdriver aan. Je kunt met de trim (op je zender) een klein beetje meer gas geven. Nu zou de motor moeten starten. Als de motor niet binnen een paar trekken start, neem je de gloeiplugdriver af en demonteer de gloeiplug. Let op of de gloeiplug nat of droog is. Als hij droog is, krijgt de motor niet (genoeg) brandstof, en kan de hoofdsproeier iets verder opengedraaid worden. Als de gloeiplug nat is, controleer je de werking van de plug door hem in de openlucht aan te sluiten op de gloeiplugdriver. Hij moet nu oplichten. Doet hij dat niet, dan is of de gloeiplug driver leeg of de gloeiplug is kapot. Sluit een nieuwe aan om de driver te controleren.
Als de gloeiplug niet goed was, monteer dan de nieuwe, en probeer opnieuw.
Als de gloeiplug goed is. Als hij nat is dan is de afstelling te rijk geweest waardoor er teveel brandstof in de motor is gekomen, hij is dan “verzopen”.
Geef volle gas en trek aan het startkoordje, zonder dat de gloeiplug gemonteerd is. Er zal nu een hoop gasmengsel uit de motor komen met druppels brandstof. Zodra er geen druppels meer meekomen, kun je de plug weer monteren. Draai de hoofdsproeier iets meer dicht(1/8), en probeer opnieuw te starten. Herhaal deze procedure tot de motor aanslaat.
Laat de motor even lopen met de driver aangesloten, en controleer of de motor blijft lopen als je wat gas geeft.
Gaat alles goed, dan kun je de gloeiplugdriver losmaken. Nu zou de motor moeten blijven lopen. Geef langzaam wat gas, en controleer of de motor goed opneemt. Zo ja, dan kun je gaan rijden. Neemt de motor niet goed op, draai dan de hoofdsproeier één of twee standjes verder open en start opnieuw.
Als de auto rijdt en de motor warm is, kun je verder gaan met afstellen van hoofd- en opneemsproeier indien nodig. Maar deze is vaak standaard afgesteld.
De stand van de ene sproeier beïnvloedt ook weer de werking van de andere, als de ene versteld wordt, moet vaak de andere ook iets versteld worden.
Om nog even bij de hoofdsproeier te blijven: een veilige afstelling is als de motor net tegen “viertakken” aan loopt bij volle gas. Viertakken is dat de motor op volle snelheid iets begint te pruttelen, meestal samengaand met wat meer roken. Dit verschijnsel treedt op als de motor iets te veel brandstof krijgt, en omdat met de brandstof mee ook de hoeveelheid smeerolie bepaald wordt (deze zit in de brandstof gemengd), krijgt de motor ook voldoende smering. Als de motor erg viertakt, kun je de hoofdsproeier nog één tandje verder dicht draaien, zodat de motor net niet meer viertakt, en de auto nog iets harder gaat lopen. Ideaal voor de levensduur van de motor is dat hij met wind tegen niet viertakt, en met wind mee net iets begint te pruttelen op volle snelheid.Als je de hoofdsproeier nu nog verder dicht gaat draaien dan loopt de motor een korte tijd nog even iets harder, en slaat dan met een klap vast, dat meestal het einde van de motor betekent!
Het “opnemen” van de motor (vanaf stationair wegrijden) wordt geregeld door de opneemsproeier welke bij sommige motors in de gasschuif en waar het kogelkopje van de gas stang zit of er recht tegenover aan de kant van de hoofdsproeier. Hiermee regel je dus de brandstof / lucht afstelling voor stationaire en lage toeren. Als je deze linksom draait, krijgt de motor iets meer brandstof tijdens het gas geven (rijker), rechtsom krijgt hij iets minder (armer). Meestal moet je deze iets rijker stellen als je de hoofdsproeier iets armer hebt gesteld, maar daar moet je mee experimenteren. Verdraai de sproeiernaalden per keer met niet meer dan 30 graden. Kijk of linksom draaien het verschijnsel verbetert of verslechtert, en bepaal daarvan of je nog iets verder moet draaien of de andere kant op moet.
Als de motor goed loopt, moet ook de stationair nog afgesteld worden.Door deze in te draaien gaat de motor (met gas los) harder lopen, draai je hem uit, dan gaat hij langzamer lopen. Stel hem zodanig af dat de motor makkelijk blijft lopen, zonder dat de koppeling gaat pakken
Verder is ook het type gloeiplug van belang, deze zijn er diverse graduaties, van “warm” naar “koud”. Een te warme gloeiplug gaat snel kapot, en de kans op schade aan de motor is groter. Een te koude gloeiplug koelt te snel af als de motor niet belast wordt, zoals bij stationair draaien, en zal bij gas geven niet warm genoeg meer zijn om de extra hoeveelheid gasmengsel te ontsteken, waardoor de motor ook af slaat.
Het afstellen van een gloeiplugmotor is dus niet zo simpel, en het kan wel even duren voor je alles goed onder de knie hebt.

4. Hoe laat ik mijn nitro motor het beste inlopen?

Het goed in laten lopen van een nitro motor is uiterst belangrijk!
Een nieuwe motor heeft altijd heel veel compressie. De cylinder van de motor is conisch hierdoor loopt de zuiger bovenaan in de cylinder iets vast.
Door de motor te laten inlopen raken de zuiger en cylinder op elkaar ingesleten zodat een preciese passing onstaat.
Dit betekent wel dat de compressie iets afneemt, echter dit hoort bij het proces van inlopen.

Het inlopen
Verschillende fabrikanten geven ook verschillende methodes aan, echter is de hier onder beschreven methode het meest gebruikt.
Vul de brandstof tank met het door de fabrikant aangegeven Nitro mengsel (meestal 16% of 20%).
Pomp of blaas de brandstof slang vol tot aan de carburateur. Verwijder het luchtfilter en laat een paar druppels brandstof in de lucht inlaat lopen.
Zet de gloeiplugonsteker op de gloeiplug en laat deze tenminste 15 sec voorgloeien.
Stel de carburateur zo in dat er ongeveer een 1 mm spleet in de luchtinlaat zichtbaar is.
Trek aan de trekstarter met korte krachtige bewegingen tot de motot start. Meestal zal de motor na een aantal trekjes starten en blijven lopen. Slaat de motor echter gelijk weer af dan kun je proberen met meer of minder gas de motor opnieuw te starten. Als de motor eenmaal loopt dan kun je gloeiplugonsteker eraf halen.
Laat je motor stationair op de eerste tank lopen) het beste is om stationair rondjes te rijden zonder de kap en geen gas geven)
Nu even geduld, laat je motor geheel afkoelen.
Op je 2e t/m je 4e tank kun je rustig met je auto rijden, maar absoluut NIET VOL GAS!
De fabrikant van de motor heeft deze “te rijk” afgesteld in de fabriek t.b.v. het inlopen van de motor. Je kunt vanaf je 5e tank je motor “armer” gaan afstellen zodat hij harder en beter gaat lopen. Kijk bij afstellen nitromotor hoe je je motor kunt afstellen.

5. Wat is het verschil tussen een brushed & brushless motor?

Brushed motoren (voorzien van koolborstels)
Dat zijn tweefasige motoren (met twee aansluitdraden) die werken op gelijkstroom waarvan de snelheid kan geregeld worden met zowel een mechanische als een elektronische regelaar (deze hebben twee inkomende draden +- en twee uitgaande draden +-). Je kan gebruik maken van alle gelijkstroombronnen met een gepaste of aangepaste spanning en de nodige stroomsterkte.
Brushed motoren hebben meer onderhoud nodig, en kunnen slijtgevoelig zijn (slijten koolborstels). Het is belangrijk dat u een motor voorzien van koolborstels eerst een paar accu ladingen onbelast laat inlopen. Motoren met koolborstels worden niet onder garantie vervangen. Wij raden u aan indien u vooruit rijd met een auto waar een brushed motor in zit niet direct achteruit te rijden en vice versa. Rem de auto eerst naar stilstand.
Brushless motoren (zonder koolborstels)
Dat zijn driefasige motoren (met drie aansluitdraden) die werken op wisselstroom waarvan de snelheid van de pulsen (frequentie) wordt geregeld door een elektronische snelheidsregelaar welke van gelijkspanning een driefasige wisselspanning maakt(deze hebben twee inkomende draden+- en drie uitgaande draden wisselspanning). Door de pulsen dichter of verder uit elkaar te leggen (versnellen of vertragen) zal de motor sneller of trager draaien, deze pulsen worden in de regelaar opgewekt door de “fets”. De meeste regelaars zijn bruikbaar voor meerdere spanningen de bruikbare spanningen en toegelaten stromen zal men steeds op de regelaar vermelden (dus meer of minder cellen) vb: 40A – 7.4-11.1V (2-3 cell Lipo/5-10 NiMH,NiCd
Op de gegevens van beide motor typen kan men steeds de maximum toegelaten spanning en stroom terugvinden. Zo zijn ook de gegevens terug te vinden op voor alle typen regelaars welke worden opgegeven door de fabrikanten.
Brushless motoren hebben geen tot weinig onderhoud nodig, en zijn sneller dan brushed motoren.